Straatnieuws Utrecht

Het inloophuis: op afstand worden problemen minder gedeeld


Aan de Nieuwegracht zit het inloophuis van het Leger des Heils. Normaliter is het daar een drukke boel, maar sinds de uitbraak van het coronavirus is het een stuk rustiger. Bezoekers mogen er niet meer de hele dag zitten, soep eten en een praatje maken, maar moeten hun verblijf beperken tot maximaal twintig minuten. 

Er staan krukken op de tafels om aan te geven dat je daar niet mag zitten, statafels zijn tegen elkaar gezet om afstand te creëren. Als iemand naar binnen wil, moet die zich melden bij een medewerker die bij de ingang staat en de naam opschrijft. ‘Mocht er iemand ziek worden, dan weten we wanneer hij hier is geweest en wie er toen ook waren’, vertelt medewerker Anja Hacquebord. 

Ze snapt dat de maatregelen noodzakelijk zijn om de verspreiding van het virus in te dammen, maar heeft er wel moeite mee. ‘Dit gaat zo in tegen de sfeer die wij willen creëren. Gezellig en belangstellend een praatje maken met iemand is zo heel anders. Op afstand worden persoonlijke problemen veel minder gedeeld.’

Niet veilig

Boven het inloophuis heeft Reinier een eigen kamer van het Leger des Heils. Om bij zijn kamer te kunnen komen, gebruikt hij dezelfde ingang als de bezoekers van beneden. Dat vindt hij maar niks. ‘Je woont hier niet veilig wat betreft corona’, zegt de grote, kale man van 59, die gekleed is in een zwart joggingpak en loopt op slippers. 

Hij staat net op het punt om naar buiten te gaan. In zijn handen heeft hij een grote tas met daarin een ventilator. ‘Hij heeft een fluitje, dus ik ga proberen ‘m te ruilen. Zeker met dit lekkere weer ga ik graag naar buiten. Ik ben niet bang voor corona, maar al die maatregelen kunnen hier niet worden gehandhaafd. Boven is de gang net anderhalve meter breed. Als je iemand passeert, dan raak je elkaar al aan. Ook gebruiken we allemaal dezelfde douches en toiletten. Die worden wel vaker schoongemaakt dan eerst, maar toch. Ook lopen mensen hier naar binnen en naar buiten en raken we dezelfde deurklink aan. Ik was mijn handen wel tien keer per dag, maar of dat genoeg is weet ik niet.’ 

Toch probeert Reinier zich niet druk te maken. ‘Als je dat doet, heb je geen leven meer. Ik probeer zoveel mogelijk bezig te blijven. Mijn kamer is klein en als ik de hele dag binnen zit, komen de muren op me af. Mocht ik ziek worden, dan zie ik het dan wel weer.’